Kort geding. De rechter wijst de vordering van eiser dat gedaagde de gehuurde bedrijfsruimte moet ontruimen af.

 

[eiser] is eigenaar van een bedrijfsruimte.

 

[eiser] heeft een huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten. In de bedrijfsruimte wordt door [gedaagde] een shoarma-grillroom/pizzeria geëxploiteerd.

 

De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van 5 jaar en is vervolgens verlengd met een periode van 5 jaar. De huurovereenkomst loopt thans door tot 28 februari 2019.

 

[eiser] heeft in december 2013 en januari 2014 de energiekosten van de bedrijfsruimte voldaan, omdat [gedaagde] niet in staat was deze te betalen.

 

Bij brief van 2 januari 2014 heeft [gedaagde] aan [eiser] bericht dat hij genoodzaakt is om zijn onderneming te beëindigen en dat hij graag gebruik wil maken van de mogelijkheid om een derde in zijn plaats als huurder te stellen.

 

[eiser] heeft aan [gedaagde] meegedeeld dat hij niet zal meewerken aan een indeplaatsstelling.

 

[gedaagde] heeft zijn onderneming per 1 februari 2014 verkocht en de huur van de bedrijfsruimte overgedragen. Per die datum wordt de shoarma-grillroom/pizzeria voor rekening en risico van [betrokkene] gedreven. [gedaagde] is bij [betrokkene] in loondienst getreden en is nog steeds werkzaam in de shoarma-grillroom/pizzeria.

 

[betrokkene] heeft vanaf februari 2014 maandelijks een bedrag ter grootte van de huur overgemaakt aan [eiser]. [betrokkene] betaalt vanaf die datum ook de energiekosten van de bedrijfsruimte.

 

[gedaagde] is (op grond van artikel 7:307 BW) een indeplaatsstellingsprocedure bij de kantonrechter gestart. [gedaagde] heeft [eiser] daartoe gedagvaard tegen 8 april 2014.

 

Het geschil

 

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde] zal veroordelen de bedrijfsruimte te ontruimen.

 

Beoordeling door de voorzieningenrechter

 

De voorzieningenrechter overweegt dat het zonder toestemming overdragen van de huur aan [betrokkene] in beginsel een dermate ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst is dat deze in een bodemprocedure zou kunnen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst.

 

Tegenover deze nog in te stellen vordering tot ontbinding staat echter de reeds door [gedaagde] ingestelde indeplaatsstellingsprocedure. Indien de kantonrechter de door [gedaagde] gevraagde machtiging tot indeplaatsstelling verleent, vervalt de grond voor de door [eiser] te vorderen ontbinding.

 

Aan de andere kant valt de grondslag van de vordering van [gedaagde] weg als in een bodemprocedure de huurovereenkomst wordt ontbonden. Gelet op de samenhang tussen deze procedures, is in dit geding ook de kans van slagen van de indeplaatsstellingsprocedure van belang. In het kader van deze voorlopige voorziening is het echter, gelet op de stellingen van partijen, zonder nader onderzoek niet goed mogelijk om een juist oordeel te geven over de indeplaatsstellingsprocedure.

Deze procedure is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval niet op voorhand kansloos te achten, nu [betrokkene] vanaf 1 februari 2014 de huurpenningen aan [eiser] heeft overgemaakt en hij heeft aangeboden om 12 maanden huur vooruit te betalen.

 

Dat [gedaagde] mogelijk op korte termijn failliet zal worden verklaard of zal worden toegelaten tot de wettelijke schuldsanering, kan vorenstaande niet anders maken, daar thans nog niet is beslist op de desbetreffende verzoeken.

 

Bovendien heeft een faillissement of een toelating tot de schuldsanering niet zonder meer tot gevolg dat de reeds ingestelde indeplaatsstellingsprocedure geen enkele slagingskans meer heeft. Dat de curator of bewindvoerder in dat geval de procedure niet zal willen overnemen staat evenmin vast.

 

Al met al komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat, nu toewijzing van de ontruiming onomkeerbare gevolgen heeft voor het voortbestaan van de huurovereenkomst, in dit geval onvoldoende aanleiding bestaat om reeds op het oordeel ten aanzien van de door [eiser] in te stellen vordering tot ontbinding en ontruiming vooruit te lopen. Gelet hierop zullen de vordering van [eiser] worden afgewezen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2014:1731

 

  

Home

 

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 06-46 40 63 26, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.