Kan een vader in kort geding zijn zoons het huis uit krijgen?

 

De vader heeft een relatie gehad met de moeder. Uit die relatie zijn [de zonen] geboren, die thans 25 en 21 jaar oud zijn.

 

De vader huurt sinds 1984 van Ymere een woning. De vader, de zonen en de moeder hebben samengewoond in de woning.

 

De moeder huurt thans een tweekamerappartement. De vader woont met [de zonen] in de woning.

  

Het geschil

 

De vader vordert dat de voorzieningenrechter [de zonen] zal veroordelen onmiddellijk de woning te verlaten en deze niet meer te betreden, zo nodig te realiseren met de sterke arm.

 

De vader legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Hij heeft een nieuwe vriendin met wie hij graag wil samenwonen in de woning. [de zonen] accepteren dat niet.

 

De vader ging er van uit dat [de zonen] bij de moeder zouden gaan wonen. Nu dat niet het geval is, heeft hij hun gevraagd € 350,00 per persoon per maand bij te dragen in de huur, overige vaste lasten en boodschappen, omdat hij zelf een minimuminkomen heeft. [de zonen] weigeren dat.

 

Er zitten vaak vrienden van [de zonen] in de woning. Ze maken rommel in huis, ruimen nooit op en maken niet schoon. De sfeer in huis is zo gespannen dat de vader de woning vaak ontvlucht.

 

Eenmaal is de situatie zodanig geëscaleerd dat [zoon 1] hem wilde aanvliegen. [zoon 2] heeft [zoon 1] toen tegengehouden. De relatie met [de zonen] is inmiddels zodanig slecht dat een onhoudbare situatie is ontstaan, aldus de vader.

 

[de zonen] hebben aangevoerd dat zij wel ergens anders willen gaan wonen, maar ze weten niet waar. Bij de moeder kunnen ze niet intrekken, want zij beschikt over een tweekamerwoning met slechts één slaapkamer. Voor het overige hebben ze geen familieleden bij wie ze terecht zouden kunnen.

 

[zoon 1] staat al een aantal jaren ingeschreven als woningzoekende, maar komt daarvoor vooralsnog niet in aanmerking. Hij is onlangs werkloos geworden en heeft een uitkering aangevraagd. Die uitkering zal naar verwachting circa € 700,00 per maand bedragen.

 

[zoon 2] heeft inkomsten uit parttime werk. Hij wil een opleiding gaan volgen, waardoor zijn inkomen lager zal worden.

 

[de zonen] vinden het door de vader gevraagde bedrag aan kostgeld van € 350,00 per maand te hoog, omdat de huur van de woning slechts € 520,00 bedraagt en zij mede de boodschappen betalen.

 

[de zonen] betwisten dat de situatie in de woning onleefbaar is. Volgens [de zonen] brengt de vader veel tijd bij zijn nieuwe vriendin door en slaapt hij maar twee maal per week thuis.

 

Beoordeling door de voorzieningenrechter

 

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voor toewijsbaarheid van een vordering als de onderhavige is vereist dat sprake is van een urgente situatie waarin onverwijld ingrijpen noodzakelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende aannemelijk geworden dat een dergelijke situatie zich hier voordoet.

 

De vader heeft ter onderbouwing van zijn vordering een aantal omstandigheden opgenoemd die deels door [de zonen] gemotiveerd zijn weersproken. Voor het overige zijn de door de vader genoemde omstandigheden, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat de samenwoning van partijen tot zodanige spanningen leidt, dat sprake is van een onhoudbare situatie die een onmiddellijke voorziening noodzakelijk maakt.

 

Daar komt bij dat de vader kenbaar heeft gemaakt dat hij er geen bezwaar tegen had als [de zonen] in de woning zouden blijven wonen.

 

Nu de kantonrechter heeft beslist dat de vader in de woning mag blijven, mag van hem worden verwacht dat hij zich aan zijn woord houdt. Bovendien ligt een eenvoudige oplossing voor de hand.

 

De vader kan er immers ook voor kiezen met de moeder van woning te ruilen. Hij kan dan - al dan niet samen met zijn vriendin - het appartement van de moeder betrekken en de moeder kan bij [de zonen] in de woning gaan wonen, conform de oorspronkelijke wens van zowel de moeder als [de zonen].

 

Op grond van het voorgaande is de vordering van de vader niet voor toewijzing vatbaar.

 

De voorzieningenrechter geeft partijen wel in overweging leefregels af te spreken, zodat iedereen weet waar hij zich aan te houden heeft.

 

Ook komt het de voorzieningenrechter redelijk voor dat [de zonen] elk bijvoorbeeld € 150,00 per maand bijdragen in de gezamenlijke kosten.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2013:12417

 

Home

  

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.