Schuldeisersverzuim

 

[gedaagde] heeft door [eiseres] een verbouwing aan zijn woning laten uitvoeren, voor een bedrag van ongeveer EUR 125.000,-.

 

In verband met voormelde werkzaamheden, heeft [eiseres] op 16 december 2010 aan [gedaagde] een factuur ter hoogte van EUR 11.465,65 gezonden, met het verzoek om die factuur binnen 14 dagen te voldoen.

 

[gedaagde] heeft deze factuur niet voldaan.

 

Daarom heeft [eiseres] besloten [gedaagde] te dagvaarden voor het kantongerecht.

 

Beoordeling door de kantonrechter

 

Uitgangspunt bij de beoordeling is dat partijen ten aanzien van de werkzaamheden in de woning van [gedaagde], een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten (als bedoeld in artikel 7:750 BW).

 

In geschil is of [gedaagde] gehouden is de factuur te voldoen die [eiseres] op 16 december 2010 op grond van de in de woning verrichte werkzaamheden aan hem heeft gezonden. Niet is betwist dat de werkzaamheden die in de factuur staan vermeld, door [eiseres] zijn verricht. Evenmin is betwist dat die factuur niet is voldaan.

 

Kern van het verweer van [gedaagde] is dat [eiseres] de overeenkomst niet correct is nagekomen. [gedaagde] heeft daarbij verwezen naar de e-mail van 5 augustus 2011, waarin een aantal gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden zijn opgesomd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] naar aanleiding van die e-mail weliswaar herstelwerkzaamheden in de woning heeft uitgevoerd, maar dat (ook) dat herstel niet op de juiste wijze en niet volledig door [eiseres] is uitgevoerd. Onder verwijzing naar artikel 19 van de algemene voorwaarden van [eiseres] stelt [gedaagde] daarom bevoegd te zijn de nakoming van de betalingsverplichting op te schorten. [gedaagde] voert in dat verband aan dat het met de opschorting gemoeide bedrag in redelijke verhouding staat tot de tekortkoming, omdat met het herstel van het tegelwerk in de woning aanzienlijke kosten gemoeid zijn.

 

[eiseres] heeft de door [gedaagde] genoemde gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden gedeeltelijk erkend. Zo betwist [eiseres] niet dat er kitwerk bij de dorpel in de badkamer ontbreekt, dat er gaatjes in het voegwerk zitten en dat in één kamer de vloerverwarming niet werkt. De overige door [gedaagde] gestelde gebreken worden door [eiseres] wel betwist, dan wel stelt [eiseres] dat zij de aansprakelijkheid daarvoor bij de offerte aan [gedaagde] heeft uitgesloten.

 

[eiseres] heeft verder aangevoerd dat zij meerdere malen aan [gedaagde] heeft aangeboden de resterende werkzaamheden uit te voeren, ook die waarvan zij niet erkent dat die niet correct zijn uitgevoerd, maar dat [gedaagde] daartoe niet de mogelijkheid heeft geboden door telkens geen datum af te spreken waarop de resterende herstelwerkzaamheden konden worden uitgevoerd. Nu [gedaagde] geen mogelijkheid biedt om de herstelwerkzaamheden uit voeren, komt hem geen recht toe om de betaling van de factuur op te schorten, althans zo begrijpt de kantonrechter de stelling van [eiseres] op dit punt.

 

Overwogen wordt dat (ingevolge artikel 7:759, eerste lid, BW) de opdrachtgever gehouden is de aannemer een redelijke termijn te geven voor het herstellen van gebreken, tenzij dit in verband met de omstandigheden niet van de opdrachtgever kan worden gevergd. Geoordeeld wordt dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] haar niet een dergelijke redelijke termijn voor het herstellen van de gebreken heeft gegeven. Integendeel, uit de overgelegde stukken blijkt juist dat het initiatief tot het maken van een afspraak om de herstelwerkzaamheden uit te kunnen voeren niet van [gedaagde], maar voornamelijk van [eiseres] is uitgegaan. [eiseres] heeft [gedaagde] diverse malen per e-mail benaderd voor het afspreken van een datum.

 

Daarnaast heeft [gedaagde] erkend dat [eiseres] hem ook telefonisch daarvoor heeft benaderd en dat [eiseres] tevens op het kantoor van [gedaagde] langs is geweest. Deze acties van de zijde van [eiseres] hebben echter niet tot een concrete afspraak met [gedaagde] geleid. Verder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] tijdig heeft gereageerd op in het in de brief van 15 oktober 2012 door [eiseres] aan hem gestelde ultimatum, om een afspraak voor het laten uitvoeren van de werkzaamheden te maken.

 

[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat zich omstandigheden hebben voorgedaan, die maakten dat van hem niet kon worden gevergd een dergelijke afspraak met [eiseres] te maken. Voor zover het door [gedaagde] gestelde en door [eiseres] gemotiveerd betwiste, niet meer aanwezig zijn van tegels met dezelfde kleur als een dergelijk verweer moet worden beschouwd, vormt het niet meer aanwezig zijn van die tegels onvoldoende grond om [eiseres] niet in de gelegenheid te stellen de overige werkzaamheden uit te laten voeren.

 

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiseres] dan ook voldoende aangetoond, dat [gedaagde] de nakoming van de overeenkomst verhindert doordat hij de daartoe noodzakelijk medewerking niet verleent. Geoordeeld wordt daarom dat [gedaagde] in ieder geval met het verstrijken van de in brief van 15 oktober 2012 vermelde termijn in schuldeisersverzuim is komen te verkeren, (als bedoeld in artikel 6:58 BW). Dit heeft tot gevolg dat (op grond van artikel 6:54, aanhef en onder a, BW) voor [gedaagde] sindsdien geen bevoegdheid tot opschorting van de betalingsverplichting meer bestond.

 

Het voorgaande betekent dat de vordering in hoofdsom, zijnde het bedrag van 
EUR 11.465,65, toewijsbaar is.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2014:782

 

 

Home 

 

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.