Executiegeschil. Ontruiming woning.

   

[eisers] huurden vanaf 2001van [gedaagde] een woning

 

De kantonrechter heeft de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ontbonden en [eisers] veroordeeld om de woning binnen drie dagen na betekening van het vonnis te ontruimen.

 

Daarnaast heeft de kantonrechter [eisers] veroordeeld tot het terugbrengen van het gehuurde in oorspronkelijke staat en tot het betalen aan [gedaagde] van een bedrag van € 3.786,25 aan achterstallige huurpenningen en wettelijke rente. Voorts zijn [eisers] hoofdelijk veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor het gebruik van het perceel ad € 700,00 per maand vanaf 1 november 2013 tot en met de dag van ontruiming. Tot slot zijn [eisers] veroordeeld in de kosten van de procedure.

 

Op 8 november 2013 is het vonnis aan [eisers] betekend met de aanzegging dat, indien de ontruiming niet zou hebben plaatsgevonden binnen drie dagen na betekening van het vonnis, de gerechtelijke ontruiming zal plaatsvinden op 19 november 2013.

 

Bij exploit van 15 november 2013 is [eisers] vervolgens aangezegd dat de ontruiming op 19 november 2013 niet doorgaat, maar wordt verplaatst en zal plaatsvinden op 28 november 2013. De ontruiming is op laatstgenoemde datum niet doorgegaan.

 

Namens [eisers] zijn intussen de volledige hoofdsom en kosten voldaan. Ook hebben [eisers] over de maanden november december 2013 en januari en februari 2014 betalingen gedaan, die door [eisers] als betalingen van huur zijn bestempeld

 

Bij exploit van 5 februari 2014 is aan [eisers] wederom de ontruiming aangezegd, ditmaal tegen 20 februari 2014.

 

Het geschil


[eisers] vordert [gedaagde] te gelasten om de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover dit betreft de ontruiming van de gehuurde woning, te staken.

 

[eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn executierecht, omdat hij geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij het doorzetten van de ontruiming. [eisers] daarentegen hebben belang bij het kunnen blijven wonen in de woning en menen daarop ook recht te hebben.

 

Beoordeling door de voorzieningenrechter


De voorzieningenrechter stelt voorop dat, nu het vonnis van 29 oktober 2013 kracht van gewijsde heeft, [gedaagde] een executoriale titel heeft, op grond waarvan hij in beginsel tot executie mag overgaan. De voorzieningenrechter kan slechts staking van de tenuitvoerlegging bevelen, indien hij van oordeel is dat [gedaagde], mede gelet op de belangen van [eisers] die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan.

 

De voorzieningenrechter kan derhalve slechts de staking van de executie bevelen in geval van misbruik van bevoegdheid door [gedaagde]. Dit zou het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien het te executeren vonnis op grond van ná dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eisers] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984,145).

 

Dat het verstekvonnis van 29 oktober 2013 klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, is gesteld noch gebleken.

 

Dat sprake zou zijn van een noodtoestand op grond van na het vonnis voorgevallen feiten of omstandigheden is evenmin aannemelijk. In dit verband hebben [eisers] zich er primair op beroepen dat het herhaaldelijk uitstellen van de aangezegde ontruiming, het behouden van de integrale betaling van de huurachterstand en de volledige betaling van de huur in de daarop volgende maanden zonder dat hierover enig gesprek heeft plaatsgevonden, bij hen de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat de betalingen tot het behoud van de woning voor [eisers] zouden leiden.

 

[gedaagde] heeft ter zitting betwist dat er geen gesprekken hebben plaatsgevonden. Er zouden volgens [gedaagde] na de aanzegging van de ontruiming zelfs meerdere gesprekken tussen partijen zijn geweest, waarbij in de meeste gevallen de deurwaarder aanwezig was. De deurwaarder kan bevestigen dat die gesprekken steeds enkel betrekking hadden het verzoek van [eisers] om uitstel van de ontruiming en niet zagen op de betalingen van [eisers] aan [gedaagde]. Het uitstel is door [gedaagde] steeds uit coulance verleend. De omstandigheid dat er ook steeds weer nieuwe data zijn gepland voor de uitruiming duidt er volgens [gedaagde] al op dat van meet af aan duidelijk is geweest dat niet van de ontruiming zou worden afgezien.

 

Subsidiair zijn [eisers] van mening dat, nu de huurovereenkomst door de rechtbank was ontbonden, [gedaagde] door het accepteren van de betalingen van de overeengekomen huur feitelijk akkoord is gegaan met, dan wel een vernieuwing van de huurovereenkomst, dan wel de voortzetting ervan. De huidige situatie is voor [eisers] in vergelijking met de situatie die tot het vonnis van 29 oktober 2013 heeft geleid, aanmerkelijk gewijzigd, aldus [eisers] De problemen die hebben geleid tot het ontstaan van een betalingsachterstand zijn nu opgelost en vormen derhalve geen beletsel meer voor het tijdig betalen van de huur.

 

[gedaagde] betwist dat hij huurbetalingen heeft geaccepteerd. Zijns inziens hebben [eisers] na de ontbinding van de huurovereenkomst een gebruiksvergoeding betaald. Door het accepteren van die betalingen kan volgens [gedaagde] dan ook geen sprake zijn van het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst of van het voortzetten van de oude huurovereenkomst. Dit is ook nooit de bedoeling geweest. [gedaagde] heeft het recht om het vonnis van 29 oktober 2013 ten uitvoer te leggen nimmer prijs gegeven.

 

Gelet op deze gemotiveerde betwisting van het door [eisers] gestelde is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit kort geding niet aannemelijk is geworden dat [eisers] aan het meermaals uitstellen van de ontruiming, het accepteren van de betalingen door [gedaagde] en het niet langer bestaan van een betalingsachterstand het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat zij de woning zouden kunnen behouden.

 

Van het voorzetten van de huurovereenkomst, dan wel het opnieuw ontstaan van een huurovereenkomst (op grond van het bepaalde in artikel 7:230 van het Burgerlijk Wetboek) is evenmin sprake.

 

[gedaagde] heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn recht op tenuitvoerlegging van het vonnis niet heeft prijsgegeven, dat hij [eisers] slechts uit coulance de woning langer heeft laten gebruiken en dat hij nimmer heeft beoogd de huurovereenkomst te laten voorduren of te vernieuwen. Ook gelet op het vonnis van 29 oktober 2013, waarin is bepaald dat vanaf 1 november 2013 een vergoeding voor het gebruik van het perceel van € 700,00 per maand betaald dient te worden, dienen de betalingen die [eisers] na de ontbinding van de huurovereenkomst hebben gedaan, aangemerkt te worden als een gebruiksvergoeding. Dat er op dit moment geen sprake is van betalingsachterstanden betekent niet dat [gedaagde] bij een ontruiming geen in redelijkheid te respecteren belang heeft.

 

Gelet op het vorenstaande is [gedaagde] bevoegd het vonnis van 29 oktober 2013 betreffende de ontruiming van de woning van [eisers] ten uitvoer te leggen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBOVE:2014:909

 

  

Home

  

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.