Incassobureau mag volgens kantonrechter kosten niet bij de opdrachtgever incasseren


Incassobureau Cobalt stelt dat zij in opdracht en voor rekening van gedaagde “incassowerkzaamheden c.q. juridische werkzaamheden” verricht heeft op grond waarvan zij aan gedaagde een bedrag van € 1.185,77 in rekening heeft gebracht. Aangezien gedaagde weigert te betalen, besluit Cobalt gedaagde te dagvaarden voor het kantongerecht te Maastricht.

 

Gedaagde betwist de gevorderde hoofdsom aan Cobalt verschuldigd te zijn. Volgens hem hebben partijen een overeenkomst met een resultaatverbintenis op basis van “no cure no pay” gesloten. Gedaagde stelt dat de overeenkomst geen grondslag biedt voor de vordering van Cobalt tot betaling van de kosten van een gerechtelijke procedure. Volgens gedaagde heeft Cobalt bewust voor eigen rekening en risico geprocedeerd. Hij wijst erop dat de kosten van die procedure ingevolge de gesloten overeenkomst ten laste van de debiteur en niet ten laste van hem gebracht zouden worden.

 

In reactie op het verweer van gedaagde voert Cobalt ter onderbouwing van de gevorderde hoofdsom bij repliek het volgende aan. Volgens Cobalt komen voornoemde kosten “logischerwijs voor rekening van gedaagde indien de vordering wordt afgewezen, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is geweest.” Voorts stelt Cobalt dat, “indien er sprake is van een dubieuze vordering, de kosten van de procedure in elk opzicht door gedaagde dienen te worden voldaan.”

 

Dat er sprake is van een dubieuze vordering, blijkt volgens Cobalt uit het feit dat de Rechtbank te Antwerpen gedaagde in het ongelijk gesteld heeft. Cobalt stelt verder: “bij het starten van een gerechtelijke procedure zijn in de meeste gevallen risico’s aan verbonden. Gedaagde draagt deze risico’s; de door gedaagde opgeworpen verweren kunnen naar de mening van Cobalt niet opgaan.”

 

Incasso-overeenkomst

 

Die incasso-overeenkomst tussen partijen biedt onvoldoende grondslag voor de door Cobalt gevorderde hoofdsom. Daartoe wordt als volgt overwogen.

 

In artikel 1 van deze overeenkomst is het volgende bepaald:

“De opdrachtgever (gedaagde) belast COBALT voor haar rekening en op haar risico openstaande bedragen te innen bij haar debiteuren en daartoe alle rechtshandelingen te stellen die haar nodig voorkomen”.

Op zichzelf genomen volgt uit deze bepaling niet zonder meer dat gedaagde als opdrachtgever de door Cobalt gemaakte kosten dient te vergoeden, al was het maar omdat uit deze bepaling niet blijkt voor wiens of wier rekening en risico Cobalt de werkzaamheden zou verrichten.

 

Artikel 5 van de overeenkomst bevat echter ten aanzien van de door/namens Cobalt gemaakte gerechtelijke kosten juist wel een specifieke regeling. In dat artikel is immers het volgende bepaald: “de gemaakte kosten, waaronder gerechtsdeurwaarders, advocaatkosten, gerechtskosten, vallen ten laste van de debiteur bij verdere uitvoering”.

 

Voorts wordt in artikel 5 van de overeenkomst opgesomd in welke gevallen de gemaakte kosten “wel” doorberekend worden aan de “opdrachtgever” (gedaagde). Uit het gebruik van het woord “wel” volgt (a contrario) dat partijen overeengekomen zijn dat de kosten, behoudens in de gevallen die in artikel 5 opgesomd zijn, niet voor rekening van de opdrachtgever komen.

De kantonrechter concludeert dat de door Cobalt bedoelde gerechtskosten niet op basis van de in artikel 5 gegeven opsomming aan gedaagde doorberekend kunnen worden.

 

Cobalt stelt verder dat de vordering van gedaagde dubieus is aangezien deze in een gerechtelijke procedure is afgewezen. Volgens haar komen in een dergelijk geval de kosten voor rekening van gedaagde.

 

Cobalt verzuimt te vermelden op welk artikel van de overeenkomst zij deze redenering baseert. De kantonrechter stelt vast dat de overeenkomst nergens melding maakt van het begrip “dubieuze vordering”. Bovendien kan in de tussen partijen gesloten overeenkomst geen passage aangetroffen worden die grondslag biedt voor de redenering dat in geval van afwijzing van een vordering de daarmee gepaard gaande gerechtskosten voor rekening van gedaagde komen.

 

De stelling van Cobalt dat de gerechtskosten “logischerwijze” voor rekening van gedaagde komen indien de vordering wordt afgewezen, mist een juridische grondslag. De logica ontgaat de kantonrechter bovendien, aangezien partijen juist specifieke afspraken gemaakt hebben over situaties waarin de kosten door gedaagde betaald dienen te worden. Het onderhavige geval kan niet onder die situaties gebracht worden.

 

Nu op grond van vorenstaande overwegingen de overeenkomst geen grondslag voor gevorderde hoofdsom biedt, zal de vordering worden afgewezen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  


http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2013:7661

 

Home

  

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.