Tijdens ontslagprocedure stelt werkgever tegenvordering in wegens veronderstelde bewuste roekeloosheid werknemer

 

Remco vordert bij de kantonrechter de veroordeling van KGA tot betaling van € 6 317,62 bruto. De vordering is opgebouwd uit achterstallig loon, achterstallige vakantiebijslag en rechten op vakantiedagen en vakantiebijslag.

 

De vordering is door KGA niet bestreden, doch tegenover dit bedrag plaatst KGA in rechte een tegenvordering die zij wenst te verrekenen met hetgeen Remco van haar nog te goed heeft.

 

Beoordeling door de kantonrechter


KGA vraagt om een verklaring van recht dat Remco ‘aansprakelijk is voor de schade, omdat zij van oordeel is dat in zijn functioneren sprake was van ‘wanprestatie met grove roekeloosheid’ die haar schade in de vorm van ‘kosten’ tot een bedrag van € 5 000,00 opgeleverd heeft. Zij grondt die opvatting op de stelling dat Remco in de uitvoering van één van zijn taken, het verzorgen van de boekhouding van het autobedrijf, ‘ernstige wanprestatie heeft geleverd’, althans aanmerkt als ‘bewuste roekeloosheid’. KGA zoekt daartoe steun in de ‘verklaring’ (een niet ondertekend e-mailbericht) d.d. 1 juni 2013 van een boekhouder aan KGA over ‘Remco. De ‘huidige boekhouder’ zou ‘een grote chaos geconstateerd’ hebben en zou tot de conclusie gekomen zijn dat de hele boekhouding over 2013 opnieuw ‘ingevoerd’ moest worden. Voorbeelden daarvan zijn genoemd. Volgens KGA had Remco - ‘van huis uit boekhouder’- beter moeten weten (althans handelen), eventueel door extra cursussen te volgen, zeker nu hij wist dat de onderneming ‘in zwaar weer’ verkeerde, doch heeft hij desondanks ‘zijn taak ernstig verwaarloosd’.


Remco heeft daartegenover pertinent betwist dat eventuele fouten of tekorten in de boekhouding terug te voeren zijn op bij hem gelegen bewuste roekeloosheid en heeft in dat verband tevens verwezen naar de diverse - elkaar soms in de weg zittende - taken die hij in dienst van KGA vervulde.  

 

In voortgezet debat hebben partijen nog gekibbeld over hetgeen tot de taken van Remco behoorde, over de verantwoordelijkheid van anderen dan Remco, over gebrek aan tijd / aan begeleiding en over gegeven kwalificaties. Remco blijft volhouden dat hij - als man van de ‘oude stempel’- de boekhouding naar beste ‘kunnen en geweten’ gedaan heeft, en dat KGA opvallenderwijs pas na ontvangst van de dagvaarding met deze klacht op de proppen komt.

 

Volgens KGA is Remco ‘herhaaldelijk en bij voortduring’ gewezen op zijn onjuiste werkwijze en de gevolgen daarvan. Dat hij daarin volhardde, ziet zij als bewijs van de juistheid van het verwijt dat zij hem thans maakt. KGA heeft het over ‘stuklopen’ van de boekhouding en over ‘in het honderd lopen’ daarvan, en het risico daarvan was Remco zich volgens haar bewust of hij had dit moeten zijn.

 

De juistheid van de vordering is op zichzelf niet bestreden, zodat de som van € 6 317,62 bruto voor toewijzing vatbaar is.


Stel- en bewijsplicht

 

Art. 7:661 lid 1 BW stelt, zoals Remco terecht benadrukt, zware eisen aan de stel- en bewijsplicht van de werkgever die betoogt dat een werknemer aansprakelijk / draagplichtig gehouden moet worden voor schade aan de werkgever toegebracht in de uitoefening van de werkzaamheden. KGA kiest er niet voor Remco ten aanzien van de wijze waarop hij uitvoering gegeven heeft aan zijn boekhoudtaak, opzet in de schoenen te schuiven maar verwijt hem ‘bewuste roekeloosheid’. Zij gaat er in dat verband volledig aan voorbij dat de functie van Remco niet ‘boekhouder’ maar ‘receptie- (en) administratief medewerker’ was én dat hij deze functie bij haar directe rechtsvoorgangster ‘Kozole’ van 1 september 1977 tot 1 november 2012 tot volle tevredenheid vervuld had. Nog opvallender is echter dat gesteld noch gebleken is dat in het verzoek dat KGA eind augustus 2013 aan het UWV voorgelegd had, iedere referentie aan het functioneren van Remco ontbrak: de UWV-beschikking toont immers ondubbelzinnig aan dat louter bedrijfseconomische omstandigheden in de automobielbranche KGA ingaven om toestemming te verzoeken tot opzegging van de arbeidsverhouding tussen haar en Remco, wiens (unieke) functie zij met het oog op kostenbesparing geheel liet vervallen. Dit oogmerk werd door het UWV als passend binnen de ondernemersvrijheid niet onredelijk geacht, zodat de toestemming ook heel snel afkwam.

 

Voorafgaand aan de opzegging heeft KGA vervolgens ook maar met een woord gerept van ontevredenheid over de taakvervulling van Remco. Het is dus vreemd dat die nu zowel bepalend lijkt te zijn geweest voor de opzegging als voor de ongemotiveerde weigering om de ontslagen werknemer een correcte eindafrekening te verstrekken / deze uit te betalen. Zichtbaar voor Remco was slechts dat er niet betaald werd. KGA heeft ook in deze procedure geen enkel stuk ingebracht dat zou kunnen wijzen op eerdere kritiek of op kenbaar maken van het motief om betalingen op te schorten of te weigeren. Bij de (lang uitgestelde) conclusie is een ‘verklaring’ van de ‘huidige boekhouder’ gevoegd waarvan de datering in dit verband veelbetekenend is: 1 juni 2014. Pas toen is er bij KGA klaarblijkelijk iets gaan dagen.

 

Doet deze opsomming van eigenaardigheden al twijfelen aan de zuiverheid van het motief van KGA, ook haar argumentatie in deze procedure is bepaald niet sterk. Uit geen enkel stuk blijkt dat Remco - wiens staat van dienst als ‘man van de oude stempel’ bij de rechtsvoorgangster van KGA onberispelijk was - in de periode 1 november 2012 tot 27 september 2013 (daarna is er kennelijk nauwelijks meer gewerkt en heeft Remco dus ook het boekjaar 2013 in de boekhouding niet meer kunnen afsluiten) op meer of minder indringende wijze terechtgewezen is. Dat de ‘leidinggevende’ van Remco ooit heldere vingerwijzingen gaf, op manco’s wees en tot aanvullende scholing of training aanzette, blijkt uit niets. Omtrent eventuele functioneringsgespreken (of zelfs maar één zodanig gesprek) ontbreekt elke aanwijzing in de processtukken. De verklaring achteraf van de als (externe) financieel ‘consultant’ aangemerkte kan daarom hoogstens wijzen op een verschil in taxatie van hetgeen een goede boekhouding van de aard en omvang als bij KGA vergt en welke boekhoudmethodiek de voorkeur verdient. Dat Remco dit werk, dat maar een deel van zijn functie uitmaakte en waarvoor hij slechts ‘administratief verantwoord’ te werk diende te gaan, met zijn ervaring van 35 jaar anders deed dan de huidige boekhouder, mag gevoeglijk aangenomen worden. Dat Remco van een gemiddelde moderne boekhouder ook wel het een en ander zou kunnen opsteken, wil de kantonrechter ook nog wel aannemen. Maar dat is in de eerste plaats door KGA niet onderzocht, laat staan op zichtbaar gemaakte wijze in praktijk gebracht door iemand naast Remco te plaatsen die hem daarin bijstond. Maar belangrijker is dat dit ook geheel iets anders is dan dat Remco van de boekhouding een ‘chaos’ gemaakt heeft, dat hij deze ‘in het honderd liet lopen’ of liet ‘stuklopen’. De kwalificatie ‘chaotisch’ is weliswaar door de huidige boekhouder gehanteerd, maar is enerzijds een appreciatie vanuit een ander type deskundigheid en een modernere boekhoudkundige benadering, en zegt anderzijds hoogstens iets over het resultaat maar niet over de intenties van (de werkzaamheden van) Remco.

 

Hier komen we aan de kern van het geschil tussen partijen. Een andere appreciatie van (de kwaliteit van) het werk en de expertise / relevante kennis van Remco had in een andere context en bij zorgvuldige begeleiding wellicht tot kwaliteitsverbetering of aanpassing van de werkmethodiek kunnen leiden, maar KGA heeft daar niet op gekoerst. Zij heeft binnen een jaar na overname van het bedrijf van haar rechtsvoorgangster de functie van Remco geschrapt en hem ontslagen en houdt hem achteraf (zonder enig eerder niet voor misverstand vatbaar signaal) ook nog eens aansprakelijk voor schadetoebrenging. Geconstateerd moet echter worden dat iedere aanwijzing ontbreekt dat Remco zich in de relevante periode november 2012 tot september 2013 (steeds) daadwerkelijk bewust was van het roekeloze karakter van zijn samenhangende gedragingen, die zich dan ook nog eens in diverse varianten voordeden en zich over geruime tijd uitstrekten. Dat daarbij de verantwoordelijkheid in niet onbelangrijke mate terecht hoort te komen bij de leidinggevende die Remco aldus - zonder aanwijsbare correctie - zijn gang liet gaan, weegt zwaar. Er is immers door Remco niets verheimelijkt en binnen de onderneming is zijn thans veronderstelde ‘bewuste roekeloosheid’ al die tijd niet opgemerkt, althans niet aan de kaak gesteld. Als het werkelijk zo evident was, levert het zwijgen van de bedrijfsleiding een vorm van veronachtzaming van het bedrijfsbelang op die op haar beurt om maatregelen vraagt.

 

Kortom: getoetst aan de strenge maatstaf (van art. 7:661 lid 1 tweede deel van de eerste volzin BW) levert de handelwijze van Remco geen bewuste roekeloosheid op en zal KGA eventuele schade in / aan de boekhouding van de onderneming voor eigen rekening moeten nemen. De tegenvordering van KGA moet afgewezen worden.

 

Hoewel Remco zulks niet uitdrukkelijk in het petitum opnam, zal KGA tot slot als in het ongelijk gestelde partij voor beide delen van de procedure in de proceskosten verwezen worden.

 

Die worden in combinatie vastgesteld en bepaald op een totaalbedrag van € 1 062,80: omdat Remco naliet daarover iets te zeggen/vragen, kan de kostenveroordeling uiteraard niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting en de naam Remco is gefingeerd. De volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

  

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBLIM:2014:10710

 

  

Home

 

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.