Op de rug van een ander springen tijdens optreden rockband in een cafe in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig.

            

Verzoeker en verweerder bezochten in een café een optreden van een rockgroep.  Verweerder is tijdens het optreden op de rug van verzoeker gesprongen waardoor verzoeker ten val is gekomen. Verzoeker heeft hierdoor blijvend letsel aan zijn knie overgehouden.

 

Verzoeker heeft verweerder aansprakelijk gesteld voor het door hem bij de val opgelopen letsel aan de rechter knie. Aangezien er geen betaling volgt, besluit verzoeker verweerder voor de rechtbank te dagvaarden.

 

De beoordeling

 

Bij beantwoording van de vraag of het verweten gedrag onrechtmatig is, stelt de rechtbank voorop dat een gevaarscheppende gedraging slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van schade (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden.

 

Naast algemene gezichtspunten als de grootte van de kans dat zich een ongeval zou voordoen, de ernst van de gevolgen daarvan evenals de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen, dient ook de context van het ongeval in deze afweging te worden betrokken.

 

Voor de beoordeling of het handelen van verweerder onrechtmatig is jegens verzoeker is niet van doorslaggevend belang of hij verweerder daarom expliciet heeft gevraagd, maar of verweerder er vanuit mocht gaan of verzoeker hem dit toestond.

 

Uit de verklaring van verzoeker dat hij het niet erg of vervelend vond dat verweerder op zijn rug klom blijkt dat hij er geen bezwaar tegen had. Ook uit het feit dat verzoeker niet aan verweerder duidelijk heeft gemaakt dat hij onmiddellijk van zijn rug af moest gaan, kan worden afgeleid dat hij de handelwijze van verweerder toestond.

 

Toestemming

 

Indien er, op grond van het voorgaande, veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat verweerder heeft gehandeld met (impliciete) toestemming van verzoeker kan niet worden gezegd dat zijn gedraging onrechtmatig was jegens verzoeker.

 

Maar ook indien er geen sprake zou zijn van impliciet verleende toestemming door verzoeker kan het handelen van verweerder niet als onrechtmatig worden aangemerkt, gelet op de context waarin dit heeft plaatsgevonden. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het bij de groep cafébezoekers waartoe verzoeker en verweerder behoorden, niet ongebruikelijk was om tijdens een muziekoptreden bij elkaar op de rug te springen. Zo verklaart een getuige dat dit vaker gebeurt op feestjes en dat het niet waarschijnlijk is dat verweerder heeft gevraagd om op verzoeker zijn rug te klimmen, omdat hij dit negen van de tien keer niet vraagt. Deze verklaring duidt er op dat het gedrag van verweerder in de gegeven context niet uitzonderlijk werd gevonden.

 

De rechtbank hecht er belang aan dat verzoeker zelf heeft verklaard dat je niet naar zo’n avond moet gaan als je dit soort dingen erg vindt. Het op de rug springen is dus een gedraging die - ook volgens verzoeker - hoort bij een optreden door een (hardrock)band in het café. Dit blijkt ook uit het feit dat hij, zoals hij heeft verklaard, met verweerder op zijn rug nog even heeft staan dansen. De omstandigheid dat dit maar van korte duur is geweest, omdat verzoeker daarna is gevallen doet er niet aan af dat het kennelijk zijn bedoeling was dat verweerder op zijn rug bleef zitten. Onder deze omstandigheden is dan ook geen sprake van een onverhoedse gebeurtenis waar verzoeker in het geheel geen rekening mee hoefde te houden.

 

Voorts acht de rechtbank van belang dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te kunnen oordelen dat verweerder, ondanks dat het in de gegeven omstandigheden niet ongebruikelijk is om bij elkaar op de rug te springen, daarvan in dit geval had moeten afzien. Daarbij is in aanmerking genomen dat er wel enig verschil is in postuur (uit het getuigenverhoor blijkt dat verweerder een lengte heeft van 1.80 m en een gewicht van 78 kg en verzoeker een lengte van 1,72 m en een gewicht van ongeveer 70 kg) maar dat dit niet zodanig is dat het oplopen van letsel door verzoeker voor verweerder zo voor de hand liggend is dat hij daarmee rekening diende te houden.

 

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld jegens verzoeker. Het verzoek te bepalen dat verweerder aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dient daarom te worden afgewezen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  


  

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBMNE:2013:3728

 

  

Home


Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.