Stagiaire kan geen aanspraak maken op loon

 

Eiseres studeert psychologie aan de Universiteit van Tilburg. Via een vriendin is zij in contact gekomen met gedaagde. Gedaagde is zorgverlener op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg. Eiseres heeft gedurende lange tijd werkzaamheden voor gedaagde verricht. Voor aanvang van deze werkzaamheden hebben partijen afspraken gemaakt, maar deze afspraken niet op papier gezet.

 

Na afloop van de stage vond eiseres dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en zij daarom recht had op loon (€ 23.831,73), vakantiegeld (8%) en vakantie-uren (€ 2.115,18)

 

Daartoe heeft zij gesteld dat zij zich bij de uitvoering van haar taken naar de aanwijzingen van gedaagde heeft gericht en dat zij op grond van de CAO geestelijke gezondheidszorg als basispsycholoog beloond had moeten worden. Voorts maakt zij aanspraak op uitbetaling van de toegezegde reiskostenvergoeding.

 

Volgens gedaagde was er geen arbeidsovereenkomst, en heeft eiseres haar werkzaamheden in het kader van een stageplaats uitgevoerd. Volgens gedaagde beschikte eiseres niet over een rechtsgeldig diploma, zodat zij ook niet in loondienst kon treden bij gedaagde, nu een dergelijk diploma verplicht is. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat eiseres tijdens haar stage nimmer om loon heeft verzocht. Pas ruim na de beëindiging van de werkzaamheden heeft zij dat gedaan. Wel heeft gedaagde erkend dat tussen partijen is afgesproken dat een reiskostenvergoeding aan eiseres zou worden betaald. Er is daarvoor door gedaagde ook een (concept) declaratie opgesteld, maar die is niet door gedaagde voor akkoord getekend. Thans is het relevante boekjaar afgesloten en kan geen betaling meer volgen, aldus gedaagde.

 

Eiseres is het daar niet mee eens en besluit gedaagde te dagvaarden voor het kantongerecht.

 

Beoordeling door de kantonrechter

 

In de kern komt het aan op de beantwoording van de vraag of eiseres haar werkzaamheden voor gedaagde heeft verricht in het kader van een stage dan wel op basis van een arbeidsovereenkomst.

 

Bij gebreke van iedere schriftelijke vastlegging van hun relatie is vooral van belang wat partijen bij het aangaan van hun relatie voor ogen heeft gestaan.

 

De kantonrechter stelt vast dat eiseres heeft verklaard zich bij gedaagde gemeld te hebben in het kader van een stage. De bedoeling was, zo begrijpt de kantonrechter, aldus werkervaring op te doen in de hoop na het afstuderen bij gedaagde in dienst te kunnen treden. In het verlengde daarvan moet vastgesteld worden dat partijen bij het aangaan van hun relatie niet over enige beloning hebben gesproken, hetgeen past bij een stage en nu maakt dat een arbeidsovereenkomst bij aanvang van de werkzaamheden van eiseres bij gedaagde in ieder geval niet kan worden aangenomen, omdat “loon” nu eenmaal één van de essentialia van een arbeidsovereenkomst is. Het enkele feit dat werkzaamheden verricht worden is onvoldoende om het bestaan van een arbeidsrelatie aan te kunnen nemen.

 

De vraag is vervolgens of, gedurende de periode van mei 2010 tot en met maart 2012 waarin eiseres haar werkzaamheden voor gedaagde verrichtte, het oorspronkelijke karakter van de overeenkomst is gewijzigd en wel zodanig dat deze van een stage-relatie is gewijzigd in een arbeidsovereenkomst.

 

De kantonrechter is van oordeel dat in zijn algemeenheid de rechtszekerheid zich er tegen verzet dat de ene overeenkomst geruisloos wordt vervangen door een nieuwe overeenkomst met een geheel ander karakter. Partijen zijn er immers bij gediend dat duidelijk is vanaf welk moment die wijziging tot stand komt, zodat zij niet overvallen kunnen worden met niet gewenste of niet voorziene consequenties.

 

Gelet op het feit dat aanvankelijk een stage relatie beoogd en gerealiseerd is, betekent dit dat de relatie tussen partijen aanwijsbaar veranderd moet zijn, voordat een arbeidsovereenkomst aangenomen kan worden. Het enkele feit dat de relatie langer heeft geduurd dan aanvankelijk beoogd is, is onvoldoende om een gewijzigd karakter met alle juridische consequenties van dien aan te kunnen nemen.

 

Eiseres heeft ter onderbouwing van het bestaan van een arbeidsovereenkomst onder meer aangevoerd dat zij veelal zelfstandig gehandeld heeft, onder andere voor wat betreft het houden van intakegesprekken en het vaststellen van een diagnose en voorts dat zij op basis van een rooster gewerkt heeft. In de aard van een stage ligt echter besloten dat stagiaires, naar mate zij een bepaalde mate van zelfstandigheid hebben verkregen en verder ontwikkeld zijn in hun vakgebied, meer ruimte krijgen om werkzaamheden meer zelfstandig en zonder merkbare supervisie uit te voeren, zodat deze enkele stelling van eiseres haar stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, niet kan dragen.

 

Ook het feit dat zij is ingeroosterd maakt dat niet anders – de aard van het werk in de gezondheidszorg maakt nu eenmaal dat op basis van afspraken gewerkt moet worden.

 

Tegen het standpunt van eiseres pleit dat eiseres heeft onderkend dat zij bij gebreke van een diploma niet als psychologe op de loonlijst geplaatst kon worden en dat deze van belang zijnde factor nooit veranderd is. Eiseres is tenslotte nog altijd niet afgestudeerd. Daarbij komt dat eiseres in mei 2011 zelf om een vergoeding heeft gevraagd, maar dat toen niet anders is toegezegd dan een vergoeding van de reiskosten. Echter, die vergoeding, die vooral beoogt onkosten te bestrijden en niet als een beloning gekwalificeerd kan worden, tast het wezen van een stage relatie niet aan. Verder is niet gebleken dat eiseres zich met die vergoeding toen niet heeft kunnen verenigen, getuige het tijdsverloop tussen deze toezegging en het moment dat rechtsmaatregelen in het vooruitzicht zijn gesteld. Daarbij komt dat eiseres door gedaagde ook anders is behandeld dan collega’s die wel op basis van een arbeidsovereenkomst gewerkt hebben, bijvoorbeeld door het uitblijven van periodieke functionering- en beoordelingsgesprekken die wel met collega’s maar niet met haar gevoerd zijn, 

 

Noch de wijze waarop partijen feitelijk met elkaar zijn omgegaan en invulling aan hun relatie hebben gegeven, noch gedane mededelingen of toezeggingen van de zijde van gedaagde waarop eiseres heeft mogen vertrouwen, rechtvaardigen daarom dat een arbeidsovereenkomst wordt aangenomen. De vordering van loon, vakantiegeld en vakantie-uren wordt daarom afgewezen.

 

Reiskosten


De vordering van de reiskosten is naar het oordeel van de kantonrechter wel toewijsbaar. Uit de stellingen van gedaagde volgt dat daartoe uit coulance is besloten. Aan die toezegging kan gedaagde gehouden worden, omdat die onderdeel is geworden van de condities waaronder de stage is gecontinueerd. Gedaagde heeft zelf een conceptafrekening opgesteld. Het verweer van gedaagde, dat de reiskostenvergoeding door toedoen van de late reactie van eiseres niet meer kan worden voldaan in verband met het sluiten van het boekjaar wordt verworpen. Het afronden van een boekjaar leidt niet tot het verval of de verjaring van een eerder toegezegde vergoeding. Gedaagde had er rekening mee moeten houden dat eiseres haar aanspraken geldend zou maken, waartoe zij ook in het kader van de jaarrekening een voorziening had kunnen treffen. Gedaagde heeft nota bene zelf de concept declaratie opgesteld en om een akkoord daarop gevraagd.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBZWB:2013:6666

 

  

Home

  

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.