Vaststelling van een redelijk hulploon

 

Gedaagde is eigenaar van een passagiersschip (hierna: het Schip).

 

Het Schip is (ongeveer) 63 meter lang, 8 meter breed en 6,5 meter hoog. De waarde van het Schip is ongeveer € 2.500.000,00.

 

Op 28 juni 2011 lag het Schip onbemand afgemeerd aan een kade.

 

Rond 21:00 uur waren drie van de vier trossen, waarmee het Schip was aangemeerd, geknapt door harde windstoten tijdens een onweersbui.

 

Het Schip dreef hierdoor af van de kade naar het midden van de haven in de richting van een verderop gelegen stenen dijk.

 

Het Schip stootte met de achterzijde tegen het steigerwerk.

 

De loopplank van het Schip was tussen de kade en het Schip in het water geraakt.

 

De havenmeester heeft een noodoproep gedaan aan 112 en de kustwacht heeft dit noodsignaal doorgezet via marifoonkanaal 16. Naar aanleiding daarvan is Eiser uitgevaren met drie boten en in totaal negen bemanningsleden voor het bieden van hulp.

 

Ongeveer 15 à 20 minuten nadat de eerste boot van Eiser was gearriveerd, is de Koninklijke Nederlandse Reddingsmaatschappij (hierna: KNRM) ter plaatse gekomen met een boot.

 

De hulpdiensten hebben het Schip richting de kade getrokken en vastgezet met lijnen.

 

De KNRM is met haar boot tussen de kade en het Schip gevaren en de hulpdiensten hebben de loopplank van het Schip uit het water getrokken.

 

Vervolgens hebben de hulpdiensten het Schip verder tegen de kade aan geduwd.

 

Eiser heeft het Schip met de inmiddels gearriveerde gedaagde deugdelijk afgemeerd.

 

De totale operatie van Eiser heeft 3,5 uur geduurd.

 

De weersomstandigheden waren als volgt: regen- en onweersbuien met een gemiddelde windkracht van Bft. 5 uit zuidoostelijke richting en met windstoten van maximaal windkracht Bft. 7.

 

Eiser heeft contact opgenomen met de verzekeraar van het Schip, Vereniging Noord Nederland U.A. (hierna: Noord Nederland), en heeft de situatie voorgelegd. Namens Noord Nederland werd  medegedeeld dat een hulploon van € 5.000,00 in dit geval redelijk was en dat Eiser daarvoor een rekening kon sturen.

 

Eiser heeft gedaagde vervolgens een factuur gestuurd ten bedrage van € 5.000,00 exclusief BTW.

 

Aangezien gedaagde deze factuur weigerde te betalen, besloot Eiser bij de kantonrechter een gerechtelijke procedure tegen gedaagde te beginnen.

 

Beoordeling door de kantonrechter

 

De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat het Schip op 28 juni 2011 in gevaar verkeerde, dat Eiser daarbij met gunstig gevolg hulp heeft verleend en dat Eiser hiervoor recht heeft op enig bedrag aan hulploon.

 

De kantonrechter overweegt dat het hulploon verschuldigd is door gedaagde, nu hij de eigenaar is van het Schip.

 

Partijen zijn verdeeld over de hoogte van het verschuldigde hulploon. Zij twisten onder meer over de feitelijke gang van zaken.

 

Gedaagde heeft aangevoerd dat de KNRM hem heeft verteld dat zij 80% van het werk heeft verricht en dat de boot van de KNRM als enige in staat was de loopplank uit het water te vissen en met haar kracht het Schip naar de kant te duwen.

 

Hierop heeft Eiser toegelicht welke werkzaamheden door Eiser zelfstandig dan wel samen met de KNRM zijn verricht. Eiser heeft gesteld dat zij in eerste instantie, voorafgaande aan het bergen van de loopplank, als enige partij het Schip richting de kade heeft getrokken en met lijnen heeft vastgezet, waardoor het gevaar dat het Schip tegen een stenen dijk zou slaan, werd afgewend. Voorts heeft zij de KNRM geholpen met het bergen van de loopplank door vanaf de kade met lijnen aan de loopplank te trekken. Alle aanwezige boten tezamen hebben het Schip het laatste stuk naar de kade geduwd. Daarbij geldt dat de boten van Eiser hetzelfde motorvermogen hebben als die van de KNRM. Hierna heeft Eiser het Schip samen met gedaagde deugdelijk afgemeerd.

 

De kantonrechter overweegt dat in de verklaring van de KNRM in het geheel niets is opgemerkt over het eerste deel van de operatie, te weten het terugslepen en met lijnen vastzetten van het Schip door Eiser. Voorts verklaart de KNRM niets over de door Eiser gestelde hulp bij het bergen van de loopplank, het terugduwen van het Schip, het motorvermogen van de boten van Eiser en het deugdelijk afmeren van het Schip met gedaagde. Voor het overige heeft gedaagde niets aangevoerd ter betwisting van de hulpverleningsactiviteiten die Eiser stelt te hebben verricht. Derhalve is de enkele mededeling dat de actie voor 80% op het conto van de KNRM komt, een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de door Eiser gestelde gang van zaken.

 

€ 5.000,--

 

Vervolgens dient op grond van die feiten en omstandigheden te worden beoordeeld of de door Eiser gevorderde vergoeding van € 5.000,00 voor de door haar verrichte hulpverlening toewijsbaar is.

 

Het bedrag van het hulploon wordt, bij gebreke van een overeenkomst daaromtrent tussen partijen, vastgesteld door de rechter “met het oog op het aanmoedigen van hulpverlening” en daarbij rekening houdend met een aantal criteria.

 

Eiser heeft zich ter onderbouwing van het gevorderde bedrag beroepen op een door Kersten experts opgemaakte rapport, waarin het bureau met inachtneming van alle door Eiser aangevoerde feiten en omstandigheden het redelijk hulploon heeft bepaald op € 5.500,00. Dit bedrag is volgens Eiser zelfs aan de lage kant, nu Kersten experts ervan uit is gegaan dat het Schip ongeveer € 1.000.000,00 waard is, terwijl uit de verklaring van gedaagde blijkt dat de waarde ongeveer € 2.500.000,00 bedraagt. Voorts heeft Eiser gesteld dat Noord Nederland aan de hand van de door Eiser beschreven situatie het bedrag van € 5.000,00 heeft genoemd als redelijk hulploon.

 

Gedaagde heeft zich verweerd tegen de hoogte van het gevorderde hulploon. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het bedrag niet onderbouwd is. Voorts heeft hij aangevoerd dat het hulploon afhankelijk zou moeten zijn van de door Eiser gemaakte kosten en dat deze geen € 5.000,00 kunnen bedragen. Gedaagde heeft zich voorts beroepen op de brief van Noord Nederland van 15 augustus 2011, waarin Noord Nederland schrijft dat zij het gevorderde hulploon op grond van de reacties van de KNRM en de verzekerde als zeer onredelijk beschouwt. Gedaagde voert tevens aan dat ook de KNRM € 5.000,00 buitenproportioneel hoog vindt.

 

De kantonrechter overweegt als volgt. De ter betwisting aangevoerde stelling van gedaagde inhoudende dat de hoogte van het hulploon alleen afhankelijk zou moeten zijn van de kosten van de hulpverlening, kan niet worden gevolgd. Immers bij vaststelling van het hulploon dient rekening dient te worden gehouden met criteria die veel meer omvatten dan (alleen) de directe kosten van de operatie.

 

Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat Noord Nederland en de KNRM, die als deskundig dienen te worden beschouwd, het bedrag van € 5.000,00 niet redelijk vinden. De kantonrechter overweegt dat uit de reactie van de KNRM niet kan worden afgeleid dat zij € 5.000,00 onredelijk hoog acht.

 

Behalve deze e-mail is door gedaagde niets aangevoerd waaruit blijkt dat en op grond waarvan de KNRM het gevorderde hulploon onredelijk hoog zou vinden. Dit onderdeel van de betwisting is dan ook onvoldoende gemotiveerd.

 

Gedaagde heeft zich daarnaast beroepen op de opinie van zijn verzekeraar Noord Nederland, die bij brief van 15 augustus 2011 aan Eiser heeft geschreven dat zij – na reacties van de verzekerde en de KNRM – het door Eiser voorgestelde hulploon als zeer onredelijk beschouwt. Daarbij heeft Noord Nederland zich kennelijk gebaseerd op de door gedaagde voorgestelde gang van zaken. Nu deze gang van zaken niet is komen vast te staan, komt geen belang toe aan deze mening van Noord Nederland.

 

Wel relevant is dat Noord Nederland in eerste instantie – op basis van de door Eiser geschetste feitelijke gang van zaken, waarvan in deze procedure wordt uitgegaan – een hulploon van € 5.000,00 redelijk achtte.

 

Gedaagde heeft derhalve de met het rapport van Kersten experts onderbouwde stelling van Eiser dat € 5.000,00 in dit geval redelijk is, onvoldoende gemotiveerd betwist. Voorts heeft de kantonrechter geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van Kersen experts en hun inschatting, mede nu Noord Nederland het hulploon op een vergelijkbaar bedrag (te weten € 5.000,00) had ingeschat. In dit verband is van belang dat Kersten experts bij het opmaken van het rapport uit is gegaan van een te lage waarde van het Schip, namelijk ongeveer € 1.000.000,00, terwijl dit volgens gedaagde in werkelijkheid ongeveer € 2.500.000,00 is. Dit duidt erop dat de inschatting van Kersten experts in dit opzicht eerder enigszins te laag is dan te hoog. De enkele stelling van gedaagde dat hij € 5.000,00 voor hulploon te hoog vindt, is ook in dat licht onvoldoende.

 

De kantonrechter houdt bij het vaststellen van het hulploon rekening met  de “geredde waarde van het schip”, welke volgens gedaagde ongeveer € 2.500.000,00 bedraagt. Tevens is van belang dat “de aard en ernst van het gevaar” in dit geval inhield dat het Schip tegen een stenen dijk zou kunnen slaan. Dit gevaar heeft zich niet verwezenlijk mede door tijdig optreden door Eiser, hetgeen relevant is gelet op “de mate van de door de hulpverleners verkregen gunstige uitslag” en “de snelheid van de verleende diensten”. Daarnaast is van belang dat Eiser het gehele jaar door materieel gereed heeft teneinde dergelijke operaties te kunnen uitvoeren op het moment dat zich een noodsituatie als de onderhavige voordoet.

 

De kantonrechter acht de gevorderde € 5.000,00 dan ook in dit geval, gelet op de feiten en omstandigheden en mede gelet op het belang van aanmoediging van de hulpverlening, een billijk hulploon. De kantonrechter stelt het hulploon derhalve vast op € 5.000,00 exclusief BTW.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

  

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBAMS:2013:7239

 

 

Home


Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.