Geschil over energielevering aan advocaat 

 

[gedaagde] voor een periode van 5 jaar, ingaande op 1 juli 2005 en eindigend op 30 juni 2010, een huurovereenkomst gesloten met de verhuurder van het pand.

 

[gedaagde] heeft in het pand enige tijd een supermarkt geëxploiteerd.

 

[gedaagde] heeft in het pand energie geleverd gekregen van Eneco.

 

[gedaagde] heeft in de periode van oktober 2005 tot en met oktober 2006 steeds voorschotnota’s (gedeeltelijk) betaald aan Eneco.

 

[gedaagde] heeft een (gedeelte van de) jaarnota van 2006 en de voorschotnota’s vanaf december 2006 onbetaald gelaten.

 

Bij exploot van 18 februari 2008 heeft Eneco [gedaagde] gedagvaard om te verschijnen voor de kantonrechter in verband met de betalingsachterstand. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd in die procedure.

 

Bij vonnis van 8 april 2008 is de vordering van Eneco toegewezen.

 

Op 26 juni 2008 heeft [gedaagde] het restant van de jaarnota van 2006 en de voorschotnota’s vanaf december 2006 tot en met januari 2008 aan Eneco voldaan.

 

[gedaagde] heeft de maandelijkse voorschotnota’s van 2008, de jaarnota van 2008 en de voorschotnota van januari 2009 onbetaald gelaten.

 

Op 9 april 2009 heeft [gedaagde] de sleutels van het pand afgegeven aan de verhuurder.

 

Op 19 augustus 2009 heeft Eneco aan [gedaagde] een gecorrigeerde eindnota gestuurd.

 

 

[gedaagde] heeft geprotesteerd tegen de gecorrigeerde eindnota. Volgens [gedaagde] was sprake van een misverstand.

 

Het geschil

 

Eneco vordert tot veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 65.373,43.

 

Beoordeling door de rechtbank

 

Omdat [gedaagde] de meterstanden nooit heeft doorgegeven aan Eneco, heeft Eneco steeds voorschotnota’s in rekening gebracht die waren gebaseerd op geschatte meterstanden. [gedaagde] heeft deze voorschotnota’s, ook na(ar aanleiding van) het vonnis van 8 april 2008, gedeeltelijk betaald. De werkelijk verbruikte energie is het verschil tussen de beginmeterstanden op 13 mei 2005 en de eindmeterstanden op 10 augustus 2009, welke meterstanden ook staan vermeld op het door Eneco in het geding gebrachte “historisch overzicht”. Met de eindnota van 19 augustus 2009 is de werkelijk verbruikte, maar nog niet betaalde energie bij [gedaagde] in rekening gebracht. Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] deze eindnota moet betalen.

 

Eneco heeft ter onderbouwing van haar vordering ten aanzien van de beginstand van de energiemeter in het pand een werkopdracht in het geding gebracht.

 

[gedaagde] heeft deze werkopdracht betwist, maar deze blote betwisting is, gelet op het feit dat deze meterstanden overeenkomen met de beginstanden die staan vermeld op de de eerste aan [gedaagde] gestuurde jaarnota d.d. 2 november 2006, dat [gedaagde] deze beginstanden heeft kunnen controleren en dat [gedaagde] tegen deze jaarnota geen bezwaar heeft gemaakt, onvoldoende.

  

Tegen de achtergrond van het feit dat [gedaagde] bij aanvang van de exploitatie van de supermarkt niet heeft voldaan aan zijn verplichting Eneco juist en volledig te informeren (ter zitting heeft hij verklaard dat er wel energie werd geleverd in het pand, maar wist hij niet door wie en nam hij aan dat sprake was van contract overname van de vorige eigenaar van de supermarkt), moet dan ook van de juistheid van de meterstanden op de werkopdracht worden uitgegaan.

 

Eindstand energiemeter

 

Wat de eindstand van de energiemeter betreft heeft Eneco een e-mail in het geding gebracht van de verhuurder van het pand. In deze e-mail heeft de verhuurder aan Eneco de meterstanden doorgegeven van het pand. Volgens de verhuurder betreffen dit de meterstanden op 14 mei 2009.

 

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij “niets weet van door de verhuurder opgegeven meterstanden” en dat de verhuurder “een fout gemaakt kan hebben”. Tegen de achtergrond van het feit dat deze meterstanden - op een zeer klein verbruik van elektriciteit na - corresponderen met de door de volgende energieverbruiker in het pand opgegeven meterstanden per 11 januari 2010, heeft [gedaagde] deze betwisting van de meterstanden onvoldoende gemotiveerd. Het voorgaande brengt mee dat van de juistheid van de meterstanden in de e-mail van de verhuurder moet worden uitgegaan.

 

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat de reden van de hoge meterstanden is dat de kWh-meter defect is of dat de kWh-meter uit het gehuurde is verwijderd en nadien is vervangen door een andere kWh-meter, in welk verband hij een brief van de Politie Eenheid Rotterdam in het geding brengt waarin – kort gezegd – staat dat de politie vanwege privacyredenen geen inlichtingen kan verschaffen.

 

Deze betwisting van de meterstanden is tegenover de met foto’s onderbouwde stelling van Eneco dat de betreffende kWh-meter, met het unieke nummer 7018675, niet uit het pand is verwijderd en is vervangen, maar tot op heden aanwezig is in het pand, onvoldoende. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien waarom deze meter niet juist zou functioneren. Dit volgt in ieder geval niet uit de enkele omstandigheid dat achteraf meer energie blijkt te zijn verbruikt dan [gedaagde] zelf kennelijk verwachtte. De meterstanden zijn gedurende ruim vier jaar geschat, omdat [gedaagde] de

werkelijke meterstanden nooit aan Eneco heeft doorgegeven.


De mogelijkheid bestaat dat het daadwerkelijke energieverbruik (veel) hoger is, welke mogelijkheid zich in casu heeft verwezenlijkt. Uit de door Eneco gestelde en door [gedaagde] niet, althans onvoldoende weersproken omstandigheid, dat de bewuste energiemeter thans nog steeds in het pand aanwezig is en goed functioneert ten behoeve van de verbruiker die na [gedaagde] in het pand een supermarkt exploiteert, volgt dat [gedaagde] geen grond heeft om aan de juistheid van de meetinrichting te twijfelen.

 

Aan het verweer van [gedaagde] dat, wanneer na onderzoek blijkt dat de meter niet juist functioneert, het verbruik dient te worden geschat en slechts tot 24 maanden teruggevorderd kan worden, wordt dan ook niet toegekomen.

 

Rechtsbetrekking met Eneco

 

Vast staat dat het vonnis van 8 april 2008 in kracht van gewijsde is gegaan. De beslissing in dat vonnis betreft dezelfde rechtsbetrekking tussen partijen als de rechts-betrekking die in de onderhavige zaak aan de orde is. Gelet op het gezag van gewijsde van dat vonnis, betekent dit dat in de onderhavige zaak ervan moet worden uitgegaan dat tussen partijen een overeenkomst van energielevering bestond en dat deze overeenkomst met ingang van 8 april 2008 is ontbonden. De energie die is geleverd in de periode tot 8 april 2008, is geleverd op basis deze overeenkomst.

 

In het vonnis van 8 april 2008 is [gedaagde] veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan het opnemen van de meterstanden en het onderbreken van de energielevering door Eneco, dan wel aan de terugname van de door Eneco ter beschikking gestelde meetinrichting. Zover is het echter niet gekomen. Ter zitting heeft Eneco verklaard dat zij niet tot tenuitvoerlegging van het vonnis is overgegaan, omdat [gedaagde] het bedrag van 
€ 5.000,00 dat Eneco had gevorderd en waartoe [gedaagde] bij gebrek aan betwisting was veroordeeld, op 26 juni 2008 had voldaan. Eneco is daarop energie blijven leveren en [gedaagde] heeft daar geen einde aan gemaakt.

 

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] Eneco ervan op de hoogte heeft gesteld dat hij, zoals hij in deze procedure heeft aangevoerd, de exploitatie van de supermarkt had gestaakt en evenmin dat Eneco dat wist. Als afnemer van energie was [gedaagde] echter wel verplicht om zijn energieleverancier daarover te informeren.

 

Wanneer [gedaagde] na 8 april 2008 geen energie meer geleverd had willen krijgen in het pand, had hij Eneco daarvan op de hoogte moeten stellen, had hij de meterstanden moeten laten opnemen door Eneco en had hij Eneco de energielevering moeten laten onderbreken dan wel had hij de meetinrichting moeten laten terugnemen, tot medewerking waaraan hij was veroordeeld door de kantonrechter.

 

Uit de omstandigheid dat [gedaagde] dit alles niet heeft gedaan en de betaalachterstand heeft ingelost, heeft Eneco mogen afleiden dat [gedaagde] de energielevering ten behoeve van het pand dat hij nog steeds huurde, waarvan hij de sleutels nog gedurende een jaar (tot 9 april 2009) in zijn bezit had en waar zijn beheerder nog wel eens kwam, wilde voortzetten.

 

 

Dit mocht Eneco bovendien afleiden uit de omstandigheid dat [gedaagde] de voorschotnota’s en de jaarnota 2008 die Eneco aan [gedaagde] heeft gestuurd na 8 april 2008 zonder protest heeft behouden. Eneco heeft onbetwist gesteld dat een dergelijke gang van zaken na een vonnis waarin de overeenkomst is ontbonden niet ongebruikelijk is.

 

Voorschotnota’s

 

Dat [gedaagde] deze voorschotnota’s niet betaalde, maakt het voorgaande niet anders, nu [gedaagde] voordien de voorschotnota’s ook niet tijdig en volledig betaalde. Eneco mocht er dan ook op vertrouwen dat na 8 april 2008 (stilzwijgend) opnieuw een overeenkomst van energielevering tussen partijen tot stand is gekomen, waarbij Eneco net als vóór 8 april 2008 energie leverde aan [gedaagde]. De energie die is geleverd in de periode na 8 april 2008, is geleverd op basis van deze nieuwe overeenkomst.

 

Methode-Vink

 

[gedaagde] verwijst naar de methode-Vink ter onderbouwing van zijn stelling dat afwijkingen tussen de geschatte meterstand en de daadwerkelijk geleverde energie ouder dan drie jaren niet aan hem zijn toe te rekenen. De methode-Vink wordt echter gehanteerd in geschillen tussen energieleveranciers en consumenten. Deze methode ziet niet op geschillen met zakelijke verbruikers, zoals het onderhavige geschil. Er is geen grond voor reflex-werking.

 

Gedaagde is advocaat

 

Voor zakelijke verbruikers geldt dat, wanneer het bedrag op de voorschotnota om wat voor reden dan ook (aanzienlijk) afwijkt van het werkelijke verbruik, dit altijd voor risico komt van de afnemer. Afgenomen energie moet worden betaald. Een te laag voorschotbedrag leidt niet tot verval van de plicht om alsnog het meerdere te betalen. Dit klemt in casu temeer, nu de afnemer van de energie, [gedaagde], een advocaat is die meerdere panden bezit en in het onderhavige pand een supermarkt heeft geëxploiteerd en het dus niet gaat om als primaire levensbehoeften te beschouwen nutsvoorzieningen. Van een dergelijke afnemer mag worden verwacht dat hij op de door Eneco verstuurde voorschotnota’s leest dat deze zijn gebaseerd op geschatte meterstanden. Dat [gedaagde] desondanks ontvangen voorschotnota’s en jaarnota’s niet heeft vergeleken met de werkelijke meterstand en een en ander op zijn beloop heeft gelaten door ook na 8 april 2008 geen meterstanden door te geven aan Eneco, terwijl dat een snel en eenvoudig klusje is en hij de sleutels nog had van het pand en zijn beheerder er af en toe nog kwam, kan Eneco niet worden tegengeworpen.

 

Tot slot heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat Eneco geen rekening zou hebben gehouden met sterk variërende energieprijzen. [gedaagde] heeft dit verder echter niet onderbouwd, zodat aan deze betwisting van de door Eneco gehanteerde tarieven voorbij zal worden gegaan.

 

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of [gedaagde] de factuur waarmee de daadwerkelijk door hem verbruikte energie in rekening is gebracht moet betalen, bevestigend moet worden beantwoord. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2014:2620

 

 

 

Home

 

 

Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.