Verschuldigdheid servicekosten door (ex)huurder.

 

[B] huren van [A] een parkeerplaats in een parkeergarage.

 

Tussen [A] en [B] is een geschil ontstaan over de vraag of [B], zoals [A] meent, servicekosten voor de gehuurde parkeerplaats in de parkeergarage aan [A] verschuldigd zijn. De door [A] aan [B] verzonden facturen ter zake van deze servicekosten zijn door [B] onbetaald gelaten. [B] hebben aan [A] te kennen gegeven dat er geen contractuele grondslag bestaat voor het in rekening brengen van servicekosten.

 

Daarom besluit [A] om [B] te dagvaarden voor het kantongerecht en vordert € 944,42.

 

Beoordeling van het geschil


Ten aanzien van de vraag of [B] gehouden zijn tot betaling van servicekosten overweegt de kantonrechter als volgt. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de huurprijs en de servicekosten.

  

Vastgesteld wordt dat in de huurovereenkomst geen uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de huurprijs en een prijs voor de servicekosten, in die zin dat voor beide een afzonderlijke prijs in de huurovereenkomst is opgenomen. Sterker, in de huurovereenkomst is ten aanzien van de servicekosten in het geheel geen prijs opgenomen. Er wordt slechts vermeld dat er sprake is van te verzorgen bijkomende leveringen en diensten. Een verwijzing naar de verschuldigdheid van deze kosten door de huurder ontbreekt. Waar bovendien sprake is van een huurovereenkomst die - daarover zijn partijen het eens - door een professionele partij is opgesteld, moet in het licht van het voorgaande worden aangenomen dat er een all-in huurprijs is overeengekomen. Hieraan doet naar het oordeel van de kantonrechter niet af dat de bijkomende leveringen en diensten in een aparte paragraaf van de huurovereenkomst zijn benoemd. Zolang daarbij door de verhuurder niet de verschuldigdheid van kosten voor de bijkomende leveringen en diensten wordt vermeld, mag de huurder er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij (slechts) een all-in huurprijs verschuldigd is, waarvan bijkomende leveringen en diensten tevens deel uitmaken.

 

De omstandigheid dat [G] ten aanzien van de parkeerplaats wél de door [A] verlangde vergoeding voor de bijkomende leveringen en diensten betalen, brengt niet mee dat [B] ook gehouden zouden zijn om die kosten te betalen. De rechtsverhouding tussen [B] en [A] is een andere dan die tussen [G] en [A]. De keuze die [G] hebben gemaakt om de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten wél te betalen, kan door [A] niet aan [B] worden tegengeworpen.

 

Ook de door [A] gestelde omstandigheid dat het merendeel van de huurders van een parkeerplaats de vergoeding voor bijkomende leveringen en diensten wel betaalt, brengt geen verplichting tot betaling van deze kosten door [B] mee.

 

Op basis van het vorenstaande komt de kantonrechter tot de slotsom dat de vorderingen van [A] als ongegrond dienen te worden afgewezen.

 

De hierboven weergegeven casus is een samenvatting, de volledige uitspraak is te vinden via de onderstaande link met rechtspraak.nl:  

 

http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNNE:2013:7495

 

  

Home 


Wilt u meer weten over het bovenstaande onderwerp, of heeft u andere vragen aan Schölvinck-Incasso? Dan kunt u mij bereiken via 020 – 622 4632, of gebruik het formulier hieronder om contact met mij op te nemen. U krijgt binnen 24 uur een reactie op uw e-mail.

Opmerking: De met * gemarkeerde velden zijn verplicht.